Hij komt, Hij komt, … of ook niet …

Ik neem je even mee naar afgelopen zomer …  in mijn atelier hoor ik een paar kleuters onderling praten:

  • “Wij zijn niet naar Spanje, want dat mag niet van Corona”.
  • “Is Corona dan ook in Spanje?”
  • “Ja”
  • “Oei, dan kan de Sint ook ziek worden.”
  • “Nee, de Sint is heilig”.
  • (Stilte)
  • “Dat is door de Paus, als je heilig bent, dan kan je nooit ziek worden of doodgaan”.
  • “Ah zoals God, dat is de baas van de hemel”.

Ik kijk verwonderd toe hoe een eenvoudige vakantiebeleving uitmondt in een religieus gesprekje. Hoe de Sint nooit ver weg is uit de gedachten van de kleuters. Hoe ze vat proberen te krijgen op religieuze personages en alles een plaats proberen te geven in het groter geheel van godsdiensten.

Het maakt me nieuwsgierig naar de effectieve religieuze ontwikkeling van kleuters, maar vooral de vraag: “Wat geven we hen precies mee?” 

Vanuit maatschappelijk perspectief

De goedheilig man staat in de meeste scholen wel jaarlijks op het programma en alleen al door de verschillende schoolvakanties komen we in aanraking met de katholieke feesten. Maar we weten ondertussen goed genoeg dat niet alle kleuters deze rituelen en tradities op dezelfde manier beleven. Enerzijds omdat er naast de katholieke godsdienst ook andere godsdiensten zijn waar kleuters in opgroeien. Anderzijds omdat tradities (zelfs bij de katholieke gezinnen) niet altijd vanuit de religieus standpunt worden meegegeven. (N.v.d.r.: De kerstboom heeft een heidense oorsprong en werd pas na de 2de wereldoorlog door de kerk toegelaten in de huizen van de mensen, hij staat symbool voor vruchtbaarheid en een goede oogst voor het komende jaar).

Het onderzoek van Den Uyl en Brouwer (2010) toont aan dat kinderen heel flexibel kunnen omgaan met verschillende religieuze boodschappen. In Amsterdamse scholen bespreken ze de verschillende godsdienstige feesten en rituelen volgens de beginsituatie van de kinderen. Daarbij ontdekken de kinderen dat de uitgedragen waarden (zoals respect, verantwoordelijkheidsgevoel, autonomie en keuzevrijheid) hetzelfde zijn maar op een andere manier geuit worden. In het gemeentelijk Besluit van Amsterdam is zelfs opgenomen dat kinderen één dag vrijaf krijgen voor het vieren van hun religieus feest in familiekring. Aangezien de katholieke feestdagen in het wettelijke kader ingebed zijn, wilp deze manier een gelijkwaardige boodschap uitdragen. Sommige scholen in Amsterdam gaan nog een stap verder en plannen religieuze feestdagen in als facultatieve verlofdag of studiedag omdat meer dan de helft van de kinderen dan toch niet aanwezig is. Er wordt in de voorafgaande dagen ook naar deze feesten toegewerkt en besproken wat deze rituelen en tradities inhouden.

Iets om over na te denken als we spreken van godsdienstvrijheid: Zou het niet interessant zijn om alle vertegenwoordigde religies te verkennen om op latere leeftijd een gerichtere keuze te kunnen maken over de eigen geloofsovertuiging?

Vanuit ouder-perspectief

Uit een bevraging van ouders over het katholiek basisonderwijs (Elshof T. 2018) blijkt dat voor de keuze van de school vooral intuïtief wordt uit gegaan van het algemene gevoel: “Deze school voelt goed aan.”  Als er dieper wordt doorgevraagd, worden vooral aspecten als de afstand tot de school, de positieve ervaringen bij een bezoek en de manier waarop ze aangeschreven of aanbevolen wordt door de gemeenschap genoemd. De al dan niet religieuze identiteit van de school komt minder ter sprake. Vaak blijkt deze identiteit al vanuit de infobrochures en worden er weinig vragen gesteld over over hoe die religieuze beleving zich in de praktijk uit. Men gaat er  gewoon vanuit dat de katholieke school deze waarden en tradities meegeeft, dat een islamitische school de Islam verder verdiept en dat er in gemeenschaps- of gemeentelijke scholen minder aandacht aan godsdienst wordt geschonken.

Uit diezelfde bevraging blijkt ook dat ouders weinig zicht hebben op de godsdienstvorming in de klas. De meeste ouders gaan ervan uit dat de godsdienstige vorming verweven is met de wettelijke feestdagen die vastliggen. Een beperkt aantal ouders vermoedt dat er ook op thematische wijze aandacht is voor godsdienst, maar leggen dit vooral bij de individuele aanpak van de leerkracht. Over de keuze voor een deskundige die leerkrachten ondersteunt in de geloofsvorming of bespreking van zingeving zijn alle ouders het eens dat dit een goede zaak zou zijn. Op die manier kan de school een deel de verantwoordelijkheid mee opnemen waar ouders zelf niet altijd toe komen, namelijk het ervaren van verschillende godsdienstige rituelen en het verkennen van hun oorsprong. Ouders die zich realiseren dat ze een religieuze minderheid zijn, hopen dat binnen de geloofsvorming een aanvulling kan geboden worden opdat alle kinderen met verschillende religies in aanraking kunnen komen.

Ouders kiezen liefst voor een open-minded godsdienstig onderwijs met aandacht voor religieuze diversiteit. Scholen mogen een voorkeursgeloof uitdragen zolang er tijd en ruimte wordt gemaakt voor andere religieuze achtergronden. Overlap en aanvulling.

Iets om over na te denken gezien de verlaging van de leerplicht van zes naar vijf jaar ook impliceert dat vanaf het schooljaar 2020-2021 het aanbod van godsdienst- of zedenleerlessen in het gemeenschapsonderwijs en gemeentelijk en stedelijk onderwijs moet worden gegarandeerd. Er vanuit gaande dat in het vrije onderwijs die godsdienst al is ingebed. (Lesage G. 2020)

Vanuit ontwikkelingspsychologisch perspectief

Voor de kinderen en kleuters zelf vinden we in hun religieuze ontwikkeling raakvlakken met de cognitieve ontwikkeling. Kinderen zijn immers op zoek naar antwoorden op en oplossingen voor allerlei processen rondom hen waar ze al of niet zelf een invloed op hebben. De ‘waarom’-vraag wordt nooit zoveel gesteld als in de kleuterperiode. Op een gegeven moment worden ook existentiële vragen gesteld en komen we uit op antwoorden vanuit geloofsovertuigingen.

Rizzuto (1979) beschrijft het ontstaan van geloof in twee fasen: in een eerste fase zien kleuters het godsbeeld als een superieur wezen en wordt dit in dezelfde categorie als monsters, superhelden en heksen geplaatst. Het verschil met Sinterklaas is dat er bij de Sint geen geloof aan te pas komt. Die ‘bestaat’ gewoon, want we zien hem en zijn acties ook echt in de realiteit. Bij God, monsters en heksen is er meer twijfel en ontstaat het gegeven van ‘ik geloof daarin of niet’.

Vanaf vijf à zes jaar worden kinderen zich meer bewust van rituelen en tradities van godsdiensten. Ze moeten als het ware het beeld van God als held samenvoegen met het beeld van God in religie. Een gepast moment dus om te gaan bespreken op welke manier God geïnstitutionaliseerd wordt en dat dit vanuit verschillende religies anders is. Freud legt daarbij de nadruk om religie te aanschouwen als een coping mechanisme dat onze behoefte aan bescherming, troost en hoop kan vervullen (van de Lagemaat B. 2006).

Bering (2003) spreekt van een EToM (Existentiële theory of Mind). Hij gaat uit van de Theory of Mind waarbij we naast ons eigen perspectief ook het perspectief van anderen kunnen inschatten bij een gebeurtenis of ervaring. In de EToM gaat Bering ervanuit dat mensen het vermogen hebben om de invloed van een hogere macht toe te kennen aan gebeurtenissen of ervaringen. Religieuze mensen spreken dan van een god of profeet, niet-religieuze mensen van toeval. Als we vanuit dit kader kijken, kunnen kinderen vanaf vijf jaar de hogere macht op ervaringen herkennen. Vanaf zeven jaar begrijpen ze dit en schrijven ze dit toe aan een bepaalde geloofsovertuiging. Wat dus overeenkomt met de samenvoeging van de verschillende godsbeelden zoals Rizutto het beschrijft. Voor zowel de ontwikkeling van het EToM als het godsbeeld binnen religie is het van belang intenties, gedachten en gevoelens te verkennen over de verschillende religies heen om dan op latere leeftijd te kunnen beslissen in welke geloofsovertuiging we ons het beste voelen.

Iets om over na te denken als we thema’s van de Sint, Kerstmis, het Suikerfeest of gebedsmomenten uitwerken in de klas.

Bronnen:

Raad van State (30 april 2020). Decreet van de Vlaamse Gemeenschap ‘over onderwijs XXX’. Advies 67.151/1.

Lesage G. (2020). Raad van State: kleuter moet godsdienstles of zedenleer krijgen. Kerk-net-redactie. Geraadpleegd via https://www.kerknet.be/kerknet-redactie/nieuws/

Thomas (Theologie, Onderwijs en Multimedia: Actieve Samenwerking), http://www.godsdienstonderwijs.be. Faculteit Theologie en Religiewetenschappen, Leuven.

Den Uyl M. & Emmelkamp L. (2010). Opgroeien met botsende culturele boodschappen. HJK, ThiemeMeulenhof. Juni 2010 (p29-31)

Gemeente Amsterdam (2020). Religieuze feestdagen. Geraadpleegd via https://www.amsterdam.nl/sociaaldomein/onderwijs-leerplicht/leerplicht-scholen/religieuze/

Elshof, T. (2018). Wat geven we hen mee? Een onderzoek naar het perspectief van ouders op katholiek basisonderwijs. Tilburg University. Geraadpleegd via https://research.tilburguniversity.edu/en/publications/wat-geven-we-hen-mee-een-onderzoek-naar-het-perspectief-van-ouder

Van de Lagemaat, B. (2006). Op zoek naar zin in een wondere wereld. Rijksuniversiteit Groningen. Bering, J.M. (2003). Towards a cognitive theory of existential meaning. New Ideas in Psychology. Vol. 21-2. Geraadpleegd via https://www.sciencedirect.com/science/article/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.