De waarde en beperkingen van woordenlijsten voor de kleuterklas

Werk je bewust aan woordenschat? En vind je het ook zo moeilijk om goede doelwoorden te kiezen? Ik geef je gelijk. Woorden selecteren is moeilijk, maar tegelijk ontzettend belangrijk, want de keuze van de doelwoorden bepaalt volgens mij mee de rijkdom van jouw thema (en omgekeerd).

Rijke doelwoorden in een rijk thema

Ik ben in een kleuterklas aan het observeren en hoor de juf vertellen: “Ah, maar jij hebt een mooie landingsbaan ontworpen. Waarvoor dient die boog daar?” De boog blijkt te dienen om een vliegende muis zacht te doen landen. “Ik ben trots op jou. Dat is een echte uitvinding, je hebt iets nieuws gemaakt dat nog niet bestond.” Tijdens het tussendoortje verzinnen de juf en de kleuters een uitvinding om koekjes te eten zonder handen. Bingo! In mijn observatieschrift noteerde ik de rijke woorden ‘ontwerpen’, ‘uitvinding‘ en ‘trots‘. Dat het om deze rijke woorden ging, en niet om andere, kwam niet als een verrassing. De woorden stonden immers gepland als doelwoordenschat van deze week. Wel bijzonder was om vast te stellen hoe goed deze juf alle momenten aangreep om de doelwoorden in de gesprekken met haar kleuters te verweven.

Mijn ervaring is dat een rijk taalaanbod nog net iets gemakkelijker ontstaat, wanneer je weet welke doelwoorden je wil aanbieden. Je vertrekt van betekenisvolle activiteiten om de doelwoorden te introduceren, en bedenkt in welke andere situaties je ze terug kan laten keren. Meer nog, wanneer je de doelwoorden in de klas uithangt (met een prentje erbij) of op een thematafel plaatst, dan is het gemakkelijker om er op ongeplande momenten terug te komen, de doelwoorden te verweven in rijke gesprekken met de kleuters, en er kleine woordspelletjes mee te verzinnen. Onderzoek toont aan dat woorden zo sneller en diepgaander beklijven bij de kleuters (Hindman, Wasik & Snell, 2016).

Klakkeloos doelwoorden overnemen uit een lijstje?

Je vindt woordenlijstjes in methodes, op het internet, of in boeken, voor anderstalige nieuwkomers tot 40 of 1001, of basiswoorden voor Amsterdamse kinderen. Gebruiken maar! Maar toch neem je een woordenlijst best niet klakkeloos over, ook niet als die werd opgesteld door experts. Zij kennen immers jouw kleuters niet, en zij weten ook niet welke doelen jij met jouw thema wil verbinden. Wat zij wel goed kunnen beoordelen, is of het woord nuttig is voor de kleuters en niet te specialistisch. Daarmee verbind ik mijn eerste tip:

Tip 1. Gebruik een woordenlijst om je ervan te verzekeren dat jouw doelwoord nuttig en begrijpelijk is voor de kleuters. Dat is de belangrijkste reden waarom ik ook graag eens een dergelijke lijst raadpleeg. Het nut is niet gemakkelijk om zelf te beoordelen, zeker niet als je je al een tijdje in een thema verdiept. Dan lijkt het alsof je niet aan het thema ‘honden’ voorbij kan zonder te leren over ‘husky’s‘ of ‘muilkorven‘. Een echte expert weet op basis van taalanalyses of een woord nuttig is voor de schoolloopbaan en voldoende regelmatig opduikt. Om die reden is ‘husky’ geen goed doelwoord, en ‘muilkorf‘ ook niet.

Tip 2. Maar beperk het aantal doelwoorden. Als je te veel woorden op hetzelfde moment bewust doorheen de gesprekken met jouw kleuters wil weven, is de kans groot dat je ze allemaal vergeet. 6 à 9 doelwoorden tegelijk kan je nog onthouden, zeker als je die ergens ophangt. Maar 30 tegelijk?

Tip 3. Selecteer enkel de doelwoorden die jouw kleuters niet vanzelf zouden verwerven tijdens jouw thema. Neem bijvoorbeeld niet het woord ‘hond‘ in het thema ‘honden’. Wat voor nut heeft het om dit woord bewust in de schijnwerpers te zetten, als het al vanzelf heel regelmatig in hele betekenisvolle activiteiten aan bod komt. En puppy’s zijn populair op TV. Dus die kennen ze al.

Tip 4. Selecteer doelwoorden die staan voor belangrijke ideeën in jouw thema, maar kijk ook een beetje verder. Kies woorden waarmee je een nieuw inzicht kan verbinden. Kies bijvoorbeeld in het thema ‘honden’ voor het woord ‘dierenarts’ omdat je aan kleuters het inzicht wil bijbrengen dat honden net als mensen ziek kunnen worden en dan verzorging nodig hebben. Meestal kom je zo bij themawoorden uit, maar naar mijn ervaring is het erg verrijkend om hieraan nog woorden toe te voegen die staan voor een (complex) gevoel of gedrag dat in het thema zou kunnen opduiken (een hond is ‘jaloers‘ of ‘gehoorzaam‘, …) of algemene schooltaalwoordenschat. Trouwens, je kan tijdens dit proces gerust woorden toevoegen die niet op het oorspronkelijk lijstje staan, maar wel essentieel zijn voor een bepaald inzicht dat je voor ogen hebt.

Tip 5. Zorg ervoor dat de doelwoorden niet te dicht bij elkaar liggen. Bijvoorbeeld, ga bij het thema ‘honden’ niet voor ‘wild‘ als je al het woord ‘tam‘ koos. Ga niet voor ‘puppy‘ als je het woord ‘volwassen‘ koos. Kies geen woorden die zo hard met elkaar samenhangen dat je ze bijna als vanzelf samen zou gebruiken. De kans is immers groot dat de kleuters het woord ‘puppy‘ vanzelf zullen oppikken als je bewust veel aandacht schenkt aan ‘volwassen‘ honden, en het verschil met hun jongere soortgenoten. Dus het ene woord streef je bewust na, het andere woord komt er automatisch bij.

Tip 6. Selecteer ook basiswoorden voor een kleine groep. In elke klas is er wel een anderstalige nieuwkomer die pas later erbij kwam, of een hele taalzwakke kleuter die moeilijk nieuwe woorden oppikt. Zulke kleuters kan je vanaf het begin van het thema, of misschien zelfs voordien, speels bekend maken met de essentiële basiswoorden van het thema, zodat ze meer uit hun ervaringen halen.

En wat als je het vanaf nul zelf moet doen?

Natuurlijk is er niet altijd een woordenlijstje voorhanden bij jouw thema. Je kan ook zelf doelwoorden bij elkaar zoeken. Dat gaat best, als je inspiratie zoekt in de doelen, (informatieve) boeken en activiteiten van jouw thema. Jouw eigen brainstorm over het thema kan je bovendien ook altijd verrijken met de woordassociaties van de website pondr. En vervolgens komen de tips hierboven van pas.

Bronnen:

Opmerkingen voor de nerds:

Tip 1 is eigenlijk best lastig, omdat heel wat grote woordenlijsten een minimum geven en er uiteraard meer mag. Zelf vind ik woorden nuttig als ze in het 1ste of 2de leerjaar vrij regelmatig voorkomen op school of in boeken. (Mijn droomwoordenlijst geeft zelf woordwolken, met aanduidingen van de gemiddelde verwervingsleeftijden en het nut van het woord voor de schoolloopbaan.)

Bij tip 2 gaan we ervan uit dat de woordenschatverwerving ook gebeurt door impliciet leren. Ik heb hier bewust vaag gehouden of je best 6-9 woorden tegelijk per dag aanbiedt, of per week. In onze projecten doen we het tot nu per week, maar eigenlijk is er geen uitsluitsel wat het beste is.

Tip 5 gebruiken we al langer voor onszelf. Wat was ik blij toen ik in een nieuwe bundel voor het volwassen NT2-onderwijs de aanbeveling las om de woordselectie niet te beperken tot hele enge woordvelden (Trioen & Casteleyn, 2018). Aan de andere kant is het goed om aandacht te besteden aan woordgroepen of taxonomische categorieën (zoals de groep van ‘voertuigen’, of de groep van insecten).

Sommige scholen maken er een grote oefening van waarbij ze alle mogelijke nuttige streefwoorden oplijsten en netjes verdelen over kleuterjaren en kleuterweken. Dat is heel veel werk. Maar loont zo’n extreem systematische aanpak ook? Daar weet ik voorlopig geen onderzoek over. Los daarvan vraag ik me af of het de taak van kleuterleerkrachten of kleuterscholen is om zich hiermee bezig te houden, net zoals ze geen leerplannen moeten opstellen, of de software van hun digitale agenda moeten programmeren.

7 gedachtes over “De waarde en beperkingen van woordenlijsten voor de kleuterklas

  1. Interessant (wat groeit mijn respect voor kleuterleerkrachten nogmaals ;-). Toch ook een bedenking, in een ervaringsgerichte werking, vertrek je vanuit thema’s die de kleuters zelf aanreiken (denk ik toch… en heb je dus niet op voorhand een thema uitgedokterd en de meest optimale doelwoorden voorbereid). Welke tips zou je aan kleuterleerkrachten geven die zo werken?

    Like

    • Waarschijnlijk kan je verder bouwen op de brainstorm die je met de kleuters op dag 1 maakte. Het grote voordeel is dat je dan hun voorkennis heel erg goed kan inschatten, en weet waar je nieuwe woorden/ideeën/inzichten aan kan haken. Uiteraard moet alles sneller gebeuren, en dat kan een nadeel zijn: geschikte boekjes zoeken, betekenisvolle activiteiten op poten zetten, (woord)spelletjes verzinnen, invalshoeken voor taal- en denkstimulerende gesprekken bedenken, …

      Like

Laat een reactie achter op Marlies Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.