Breinonderzoek: een gelegenheid om eens goed met mij te lachen

Wist je dat er toestelletjes worden verkocht voor 150 dollar die tellen hoeveel woorden ouders met hun baby’s spreken? Stel je voor dat mama’s en papa’s naast hun stappenteller een Starling gaan gebruiken, de eerste om te monitoren of ze zelf voldoende bewegen, de tweede om hun tongspier in de gaten houden… voor het wel van hun kind. De Engelse sociologe Jan Macvarish gaf het voorbeeld op de conferentie How important is neuroscience for educators? Ik lachte. Maar waarom?

Lachte ik met de domme app die verkocht wordt?

Lachte ik met het hersenonderzoek waar men naar verwijst?

In zekere zin lachte ik met beide, maar eigenlijk lach ik mensen uit. Aan het eind van dit bericht over de zin en onzin van neurowetenschappelijk onderzoek voor opvoeding en onderwijs heb je een extra reden om dat met mij te doen.

 

Dure rommel?

Simpele woordentellers kopen, het klinkt belachelijk. Is het dat ook? Sommige kinderen groeien op in een taalrijke omgeving, andere in een taalarme. Met het ene kind wordt veel gepraat, met het andere nauwelijks. Sommige apparaten maken blijkbaar het onderscheid tussen taal op de achtergrond, van een televisie die aanstaat bijvoorbeeld, en taal die gericht tot een kind gesproken wordt. Als zo’n teller van de tweede soort me zou leren dat ik ’s middags nog maar enkele schamele woorden tegen mijn dochter gezegd zou hebben, ik zou er misschien eens mee spelen.

Hebben we daar een duur apparaat voor nodig? Pas op, ik ken mensen die ’s avonds een blik werpen op hun stappenteller en nog een ommetje maken. Als dat ding mensen daartoe aanzet, dan is zo’n woordenteller misschien ook zo kwaad nog niet.

Ik ga een stap verder. Heel wat lerarenopleiders en andere onderwijskundigen hoorden de laatste maanden van Brecht Peleman of een van zijn VBJK-collega’s (Vernieuwing in de Basisvoorzieningen voor Jonge Kinderen) de terecht schokkende vaststelling dat er amper talige interactie was tussen leerkrachten en anderstalige peuters. Ze hadden daarvoor weken geobserveerd in klassen en alle beeld en klank geanalyseerd. Interessant onderzoek, zeker. Ik meen me te herinneren dat het weinige dat tegen de anderstalige peuters gezegd werd vooral bevelen waren. Dat geeft duiding, maar wanneer zou blijken dat ik als leerkracht 11 woorden tegen een peuter zou zeggen op een dag, dan weet jij dat die woorden wellicht eerder: “kom hier”, “wacht even”, “eet je koek op”, en “ga buiten spelen” waren dan: “Leg me eens uit hoe je die moeilijke opdrachtkaart opgelost hebt.”

Een meer gesofisticeerde versie die alle taal in de twee richtingen zou registreren en eenvoudig verwerken zou mij als leerkracht een wake up call geven en onderzoekers veel werk besparen. Die spraaktechnologie blijkt nog te bestaan ook. Taalwetenschappers publiceren artikels op basis van onderzoek dat ze met zogenaamde LENA-apparatuur (Language Environment Analysis) uitvoeren. Die telt woorden van ouders, vocale uitingen van kinderen en de keren ze op elkaar inpikken. Hoewel LENA nog volop in ontwikkeling is en dat onderzoekers beseffen dat ze extra moeten inzetten op het meten van de kwaliteit van de communicatie blijkt LENA vandaag al een efficiënt middel om bijvoorbeeld de kwaliteit van een taalmilieu in te schatten. De verschillen tussen gezinnen met een hoge en een lage SES zijn aanzienlijk en ze doen er toe. Dergelijke tools worden al gebruikt om talige interactie te stimuleren. Hoewel de effecten niet altijd duurzaam zijn (na het project praten ouders weer minder met kinderen) zijn er ook positieve tekenen. Ouders vatten vaker het belang van talige interactie, wat o.a. tot voorlezen motiveert en de negatieve invloed van een lage SES kan compenseren.

 

Lachen we met hersenonderzoek?

De producent van de woordentellers verwijst op zijn site naar taalonderzoek en naar hersenonderzoek. Ik denk dat weinigen lachen met hersenonderzoek op zich. Zeker pedagogisch geschoolden beseffen dat de grijze massa in ons hoofd een black box is die veel geheimen bevat en dat de geleidelijke ontsluiering ervan ons zal dwingen onze toekomstige opvoedings- en onderwijspraktijk aan te passen. Het probleem zit hem in de vertaling. Het zijn vooral medisch geschoolden die axonen, neurotransmitters en synapsen analyseren. Zij zijn met stoffen en verbindingen bezig waar simpele pedagogen als ik weinig van begrijpen. Toch moeten wij verder bouwen op die fundamentele inzichten. Psychologen en pedagogen moeten leerexperimenten opzetten in zeer gecontroleerde labo-omgevingen en vervolgens kijken hoe ze daar verworven inzichten kunnen integreren in de veel complexere omgeving van leerkrachten in de klas en ouders thuis.

Er worden op de verschillende vertaalniveaus foute conclusies getrokken. Toch vond ik geen grote leugens op de site van de woordenteller, wat natuurlijk aan mijn brein of mijn beperkte kennis over het brein kan liggen. Je kan de verkopers hooguit verwijten dat ze zich vooral in algemene termen op onderzoek beroepen en dat de synthese waar je naar kan doorklikken enkel indirecte argumenten oplevert.

Anderen gaan meer uit de bocht. Ik herinner me dat ik een tiental jaar geleden naar een opvoedingsexpert luisterde die vaak door de media opgevoerd werd. Ik keek naar zijn hersenscans als een konijn naar een lichtbak. Ik zag variaties in beweging en kleur, meer of minder verbindingen tussen hersencellen. Voor de interpretatie was ik overgeleverd aan hem. Het was een schoolvoorbeeld van twee klassieke fouten waar Macvarish zich terecht aan stoort bij interpretaties van hersenonderzoek. Soms gaat het om oud onderzoek en om de veralgemening van extreme situaties, in dit geval hersenscans van weeshuiskinderen op het einde van het Ceaușescu-tijdperk in Roemenië, nu dertig jaar geleden. De verregaande fysische en affectieve verwaarlozing had de hersenontwikkeling ernstig geschaad. Maar daar mocht niet uit afgeleid worden dat die schade onherstelbaar was, noch dat het omgekeerde waar was: hoe meer affectie, hoe beter.

Dit lijkt misschien een kwestie van voortschrijdend inzicht. In dit geval had de spreker, gegeven zijn achtergrond, moeten weten dat zijn interpretaties geen steek hielden.

 

Lui lachen

Hoe idioot zijn ouders die zich zo’n spul aanschaffen in de hoop daarmee hun kind goed op te voeden. Daar kom ik uit als ik mijn lach om Macvarish’ voorbeeld verklaar. Maar niemand is toch zo goedgelovig om te denken dat opvoeding en onderwijs slechts een kwestie zijn van woordenproductie.

Lachen is ook een gemakkelijkheidsoplossing. Als ik breinonderzoek kan weglachen, hoef ik er me niet in te verdiepen. Dan kan ik gewoon blijven doen waar ik mee bezig ben. Alles nieuwlichterij noemen is een elegant excuus voor luiheid.

 

Lach met mij

Ik was in mijn onwetendheid meegegaan in een karikatuur. Macvarish bespeelde een onvermoede conservatieve reflex in mij en een bijhorend geromantiseerd ideaal van een natuurlijke ongedwongen opvoeding zonder apps.

Ouders die hun kinderen zo goed mogelijk willen opvoeden, leerkrachten die hun leerlingen zo goed mogelijk willen onderwijzen, ze hebben alle reden om daar mee te lachen.

 

Op zoek naar pedagogische Churchills

Winston Churchill vroeg zijn tuinman om een eik te planten, maar die raadde het af. De boom zou maar tot zijn majestueuze pracht komen tientallen jaren na hun dood, waarop Churchill zou geantwoord hebben dat dat een goede reden was om het meteen te doen.

Als iets belangrijk is voor de lange termijn, mogen we het niet uitstellen. Breinonderzoek kan essentiële informatie opleveren voor het opvoeden en onderwijzen van de volgende generaties. Onze beste academici zouden er zich vandaag al moeten over buigen. Een erudiete stem in het publiek in Leuven gaf aan dat het minstens tien jaar zal duren vooraleer onderzoek een zinvolle transfer naar de opvoedingspraktijk zal toelaten. Welaan dan. Waar wachten we op? Aan ons om dat werk te vertalen en de zinvolle lessen eruit in onze opvoedings- en onderwijspraktijk te integreren.

 

Meer lezen:

Veerle Beel van De Standaard schreef ook een artikel over dezelfde conferentie die door KU Leuven, U Gent, en Liverpool Hope University werd georganiseerd. Ze refereert aan meerdere sprekers en citeert ook organisatoren.

Wie meer achtergrond zoekt over de breinwetenschappen en het verband met onderwijs raad ik dit boek aan:

Van Camp, T., Vloeberghs, L. en Tijtgat, P. (red.) (2015) Krachtig leren. Cognitief neurowetenschappelijk benaderd. Een praktijkgerichte literatuurstudie over de relatie tussen neurowetenschap en onderwijs. VLOR. Acco.

Over LENA

Wang, Y. H., M, Abdul Aziz, N. A., Arora, S., Shi, L., & Tunison, E. (2017). A systematic review of the use of LENA technology. American Annals of the Deaf, 162(3), 295-311.

 

Dank voor de feedback op een eerste versie aan Pieter Tijtgat en Helena Taelman, grotere kenners dan ik van respectievelijk de wereld van het brein en de taal.

3 gedachtes over “Breinonderzoek: een gelegenheid om eens goed met mij te lachen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.