Diversiteit? Zeker! Flexibele leerwegen? In opmars!

Hoe kunnen we in ons Vlaamse onderwijs (nog) meer tegemoet komen aan de stroom van diversiteit waar we vandaag de dag (steeds meer) mee geconfronteerd worden? Welke flexibele paden kunnen we bewandelen om kinderen met verschillende achtergronden en mogelijkheden maximale ontplooiingskansen te bieden?

Onderzoekers Vandecandelaere, Van den Branden, Vandenbroeck en Juchtmans (2017) deden hieromtrent een onderzoek op vraag van het Vlaams Ministerie van Onderwijs, het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –evaluatie aan de KU Leuven, en het HIVA-KU Leuven. Hun conclusie? Er wordt al wat ondernomen om leerwegen voor kinderen en jongeren flexibeler te maken, maar er heerst nog wat terughoudendheid in Vlaanderen uit angst ‘om buiten de lijntjes te kleuren’.

Flexibele wat?!

De onderzoekers omschrijven flexibele leerwegen als ‘flexibiliteit in wat, hoe, wanneer, waar en met wie er geleerd wordt, binnen een gemeenschappelijk curriculum, en met het oog op maximale ontplooiingskansen voor alle kinderen’. Uit hun exploratie blijkt dat er 3 vormen van flexibele leerwegen kunnen worden onderscheiden:

  1. Interne differentiatie of ‘binnenklasdifferentiatie’
  2. Externe differentiatie of ‘het jaarklassensysteem overstijgen’
  3. Praktijken gericht op specifieke doelgroepen

De eerste vorm, interne differentiatie, die kennen we allemaal, en deze vorm is tevens de dag van vandaag goed ingeburgerd in de klaswerking van kleuterscholen. Het gaat hierbij om het inspelen op de noden, de behoeften en het niveau van de kinderen van één klas, en dus in ons huidige onderwijssysteem, van de kinderen van eenzelfde leeftijd.

Met de tweede en de derde vorm wordt in ons huidige kleuteronderwijs wel geëxperimenteerd, maar deze zijn minder frequent aanwezig dan het interne-differentiatie-principe.

Multileeftijdsklassen, of: flexibeler omgaan met leeftijden

In het artikel van Vandecandelaere et al. (2017) wordt een structurele vorm van externe differentiatie aangehaald, namelijk de multileeftijdsklassen: klassen waar kinderen van verschillende leeftijden samen in de klas zitten, bij eenzelfde juf of meester. Uiteraard is dit geen nieuw fenomeen en zijn er tal van kleuterscholen die hier reeds mee aan de slag zijn gegaan, bijvoorbeeld de 2.5- en de 3-jarigen in één klas en de 4- en de 5-jarigen ook samen in één klas. Maar het loslaten van denken in termen van leeftijd, en de klik maken naar het denken in termen van noden en behoeften om kinderen te oriënteren naar een klas, voelt toch wat onwennig aan vind ik. Gevolg van een traditie in ‘leeftijdsdenken’ die we nu eenmaal hebben.

De voordelen? Het zijn er wel wat!

De voordelen die op een rijtje worden gezet in het artikel van Vandecandelaere et al. (2017) zijn zeker niet van de minsten. Neen, ze gaan terug op enkele fundamentele elementen die niet te verwaarlozen zijn voor kleuters:

  1. Interactie met oudere, meer ervaren klasgenoten laat jongere kleuters toe meer uitdagende opdrachten op te nemen en via ‘samen doen’ sneller onder de knie te krijgen. Wat Vygotsky (1978) ook wel omschreef als ‘kinderen begeleiden in de zone van de naaste ontwikkeling’.
  2. Oudere kleuters wiens tempo wat lager ligt, kunnen voordeel halen uit de interactie met jongere kleuters. Het biedt hen ook het voordeel om instructies bij activiteiten bij de jongere kleuters te volgen.
  3. Oudere kleuters worden in de mogelijkheid gesteld om jongere kleuters te ondersteunen in de klas, wat hun prosociaal gedrag en hun verantwoordelijkheidszin aanscherpt.
  4. Meerdere leeftijden samen in de klas geeft meer mogelijkheden voor binnenklasdifferentiatie, bijvoorbeeld in de vorm van zelfstandige opdrachten, in kleinere niveaugroepen, of via samenwerkend leren tussen kinderen van verschillende leeftijden.
  5. Kleuters kunnen in een multileeftijdssysteem langer onder de begeleiding van eenzelfde juf of meester blijven, waardoor de leraar de kleuters beter kent, en waardoor een echte vertrouwensband nog meer kansen krijgt. Hierdoor kan de leraar zijn aanpak weer beter afstemmen op de individuele kleuters in zijn klasgroep.

Redelijk overtuigende voordelen vind ik zelf. Maar misschien zijn er ook nadelen die ik momenteel niet helemaal vat?

Hoe zit dat in jouw kleuterschool of jouw klas? Voor welke werking kiezen jullie? En waarom? Reageren kan en mag!

Voor wie meer wil lezen en weten over dit topic kan ik onderstaand boek aanraden, waarin een aantal praktijkcasussen worden uitgewerkt, gelinkt aan flexibele leerwegen:

Vandecandelaere, M., Van den Branden, N., Juchtmans, G., Vandenbroeck, M. & De Fraine, B. (2016b). Flexibele leerwegen: Inspiratiegids voor basisonderwijs en secundair onderwijs. Leuven: Lannoo.

 

Bronnen:

Vandecandelaere, M., Van den Branden, N., Vandenbroeck, M., & Juchtmans, G. (2017). Flexibele leerwegen in Vlaanderen: buiten de lijntjes kleuren? In Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 2016-17/3, p173-180, geraadpleegd via https://lirias.kuleuven.be/bitstream/123456789/574543/1/TORB+Flexibele+leerwegen+in+Vlaanderen.pdf

Vandecandelaere, M., Van den Branden, N., Juchtmans, G., Vandenbroeck, M. & De Fraine, B. (2016a). Flexibele leerwegen in Vlaanderen: Onderzoeksrapport. Leuven: KU Leuven. Geraadpleegd via https://lirias.kuleuven.be/bitstream/123456789/554704/1/6407.pdf

 

4 gedachtes over “Diversiteit? Zeker! Flexibele leerwegen? In opmars!

  1. Wat mij opvalt is dat er in dit artikel over de vermeende voordelen van multileeftijdsklassen geen enkele wetenschappelijke bron genoemd wordt waaruit dat zou blijken. Is dat onderzoek er dan niet? Er is echter wel onderzoek dat het tegendeel aantoont (Ansari, Purtell & Gershoff, 2016). Hierover is door Helena Taelmans op Kleutergewijs geschreven. In dit onderzoek blijkt dat het samenvoegen van het 3- en 4 jarige kinderen leidt tot een leerachterstand bij de vierjarigen van bijna een half jaar. Geen positief effect dus. Dat komt waarschijnlijk omdat leerkrachten zich richten op de kinderen die het ‘zwakst’ zijn, waardoor de oudere kinderen geen of te weinig aanbod krijgen. Verder moet je niet uit het oog verliezen dat je een jaar moet relateren aan de totale ontwikkelingstijd van kinderen. Op 5-jarige leeftijd is één jaar één vijfde van je leeftijd. Op 10-jarige leeftijd is één jaar één tiende van je leeftijd. De ontwikkelingsverschillen tussen een 3- en een 4-jarige zijn veel groter dan die tussen een 9-jarige en een 10-jarige. Binnen één jaarklas van het kleuteronderwijs heb je dus al heel grote ontwikkelingsverschillen tussen kinderen. Als je dan ook nog in een grote stad werkt met een heel diverse populatie – anderstalige kinderen, kinderen van laagopgeleide ouders en kinderen van hoogopgeleide ouders -, dan moet je al enorm differentiëren. In een jaarklas moet je dan al minstens op drie niveaus differentiëren. Als je twee of meer jaarklassen samenvoegt moet je op zes of zelfs negen niveaus differentiëren. Alle onderzoek laat zien dat differentiëren op drie niveaus het maximaal haalbare is voor leerkrachten.
    Ik heb zelf (in Nederland) op een concentratieschool jarenlang les gegeven aan de kleuters in een combinatiegroep 1/2. Veel van die kinderen groeien al op in grotere verbanden, met veel broertjes en zusjes, ooms en tantes. Voor hen is het zorgen voor jongere kinderen vaak dagelijkse realiteit. Dat hoeven ze niet op school te leren, ze moeten daarentegen juist de kansen krijgen om andere dingen te leren, schoolse kennis, en multileeftijdsklassen dragen daar niet aan bij.
    Multileeftijdsklassen is een romantisch idee van witte middenklassemensen dat niet gestoeld is op wetenschappelijk onderzoek. Het werkt verdere ongelijkheid op scholen in de hand. Niet doen dus.

    Like

  2. Ter informatie hieronder de paragraaf “Onderzoek naar de effectiviteit van multileeftijdsklassen” uit het boek
    Vandecandelaere, M. et al. (2016) Flexibele leerwegen: Inspiratiegids voor basisonderwijs en secundair onderwijs. Leuven: LannooCampus.

    Er werd al heel wat onderzoek verricht naar de effectiviteit van multileeftijdsklassen in vergelijking met een indeling in leerjaren. Uit een review van Veenman (1995) blijkt dat multileeftijdsklassen gemiddeld genomen geen effect hebben op de prestaties van leerlingen, maar dat deze wel in beperkte mate gunstig zijn voor het welbevinden en de leermotivatie. De voordelen zouden iets groter zijn voor jongere dan voor oudere leerlingen (zie ook Guo et al., 2014; Leuven & Ronning, 2011). Het onderzoek naar de effectiviteit van multileeftijdsklassen is echter zeer inconsistent (Lindström & Lindahl, 2011; Marino & Kirby, 2009; Thomas, 2012; Wilkinson & Hamilton, 2003). De verschillende onderzoeksresultaten hebben waarschijnlijk te maken met de verschillende manieren waarop instructie wordt georganiseerd binnen multileeftijdsklassen. Daarnaast tonen heel wat onderzoeken methodologische tekortkomingen. Zo is er voor de multileeftijdsklassen vaak geen goed vergelijkbare controlegroep beschikbaar (Mason & Burns, 1996). Verschillen in uitkomsten tussen de twee groeperingsvormen mogen dan ook niet zomaar worden toegeschreven aan de groepssamenstelling.

    In het boek worden ook de argumenten pro en contra multileeftijdsklassen opgelijst. Bovendien wordt nog een onderscheid gemaakt met een alternatieve leeftijdsindeling: trapklassen.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s